Verdeling huwelijksgoederengemeenschap

Klik hier en hier voor de uitspraken.

Publicatie uitspraak Parket bij de Hoge Raad d.d. 01-11-2013 en uitspraak Hoge Raad 20-12-2013.
Client N. Kreté: De man. De man werd in cassatie bijgestaan door een cassatieadvocaat
Essentie: Verdeling huwelijksgoederengemeenschap, weigering Hof om de door de vrouw ingediende stukken aan te merken als een verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appèl en gevolg van intrekking hoger beroep man zonder toestemming van de vrouw.

ECLI:NL:PHR:2013:1146 en ECLI:NL:HR:2013:2045

In de echtscheidingsprocedure en in het hoger beroep stond ik de man bij en betrof het ondermeer een geschil over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank had in 1e aanleg ondermeer bepaald dat de vrouw aan de man wegens overbedeling € 121.522,12 diende te voldoen. Partijen zijn bijna tegelijk in hoger beroep gegaan van de beschikking van de rechtbank. Het Gerechtshof heeft vervolgens de vrouw niet ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep wegens niet tijdige betaling van het griffierecht. In het door de man ingestelde hoger beroep heeft de vrouw verzocht om de door haar ingediende stukken in de door haarzelf aanhangig gemaakte appelprocedure aan te merken als een verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appel in de door de man aanhangig gemaakte procedure.

Het Hof heeft dit verzoek van de vrouw afgewezen. De man heeft na een tussenbeschikking van het Hof het hoger beroep ingetrokken. De vrouw heeft cassatie ingesteld en de man heeft verweer gevoerd en een voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld. De Procureur Generaal geeft ondermeer aan dat het niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting van het Hof om het verzoek van de vrouw om het beroepschrift te beschouwen als een verweerschrift tevens inhoudende incidenteel appel af te wijzen op de grond dat het verzoek in een zodanig laat stadium is gedaan- ter mondelinge behandeling- dat dit in strijd is met de goede procesorde. Voorts geeft de Procureur Generaal aan dat het vaste rechtspraak is dat de verzoeker tot intrekking kan overgaan zonder daarvoor de toestemming van de wederpartij daarvoor nodig te hebben.

De Hoge Raad neemt de conclusie van de Procureur Generaal over en verwerpt het principale beroep en om die reden komt de Hoge Raad niet toe aan het voorwaardelijke incidentele beroep.